Het probleem dat opgelost moet worden
In een bocht leggen de vier wielen van een auto elk een andere afstand af. De voorwielen draaien meer dan de achterwielen, de buitenwielen meer dan de binnenwielen. Op een as vangt een differentieel dat verschil op. Tussen voor- en achteras is dat ook nodig zodra beide assen worden aangedreven. Hoe een systeem dat oplost, bepaalt waar het geschikt voor is.
Drie hoofdvormen
| Systeem | Werking | Op verharde weg | In het terrein |
|---|---|---|---|
| Inschakelbaar (part-time) | Voor- en achteras star gekoppeld via de verdeelbak, geen tussendifferentieel | Alleen achterwielaandrijving gebruiken | Sterk, beide assen krijgen altijd kracht |
| Permanent (full-time) | Tussendifferentieel verdeelt kracht over beide assen | Altijd bruikbaar | Goed, mits het tussendifferentieel te sperren is |
| Automatisch bijschakelend | Normaal een as aangedreven; een lamellenkoppeling schakelt de andere as bij bij slip | Altijd bruikbaar | Beperkt, koppeling kan oververhitten |
Inschakelbare 4x4 en verspanning
Bij een inschakelbaar systeem draaien voor- en achteras met ingeschakelde 4x4 precies even snel. In het terrein is dat geen probleem, omdat de banden op losse ondergrond kunnen slippen. Op droog asfalt kan dat niet: de aandrijflijn komt in bochten onder spanning te staan, het sturen wordt zwaar en er ontstaat slijtage of schade aan verdeelbak en assen. Daarom hoort 4x4 bij dit systeem alleen op losse of gladde ondergrond ingeschakeld te zijn. Veel oudere pick-ups en klassieke terreinauto's werken zo.
Vrijloopnaven ontkoppelen bij sommige van deze auto's de voorwielen van de vooras als 4x4 uit staat. Ze moeten handmatig of automatisch in de vergrendelde stand staan voordat de vooras kracht kan overbrengen.
Permanente 4x4
Een permanent systeem heeft een tussendifferentieel, dat een open, een zelfsperrend (bijvoorbeeld Torsen of visco) of een handmatig sperbaar differentieel kan zijn. Een open tussendifferentieel stuurt de kracht naar de as met de minste weerstand. Staat een wiel in de lucht of op ijs, dan draait dat wiel door en komt de auto niet vooruit, tenzij het tussendifferentieel gesperd kan worden of elektronica ingrijpt. Zie sperren en reductie.
Automatisch bijschakelende systemen
De meeste SUV's rijden met voorwielaandrijving en schakelen bij slip de achteras bij via een elektronisch geregelde koppeling. Dat werkt goed op een besneeuwde weg of een nat grasveld. Bij langdurige slip in mul zand of diepe modder wordt de koppeling heet; het systeem beschermt zichzelf dan door de achteras los te koppelen. Een reductiebak ontbreekt vrijwel altijd.
Herkennen in de praktijk
- Een hendel of knop met 2H, 4H en 4L wijst op een inschakelbaar systeem met reductie.
- H, HL of 4H met een sperknop en L of 4L wijst op permanente 4x4 met sperbaar tussendifferentieel en reductie.
- Alleen een rijmodusknop (sneeuw, modder, zand) en geen L wijst doorgaans op een bijschakelend systeem.
Het instructieboekje beschrijft voor elke auto welke combinaties bij welke snelheid en ondergrond gebruikt mogen worden. Dat is de leidraad, niet de aanduiding op de achterklep.